Waarom deze definities kort zijn
De meeste woordenlijsten schrijven de afkorting voluit of nemen een alinea wetstekst over. Geen van beide helpt wanneer u halverwege een douaneaangifte zit en wilt weten wat een veld betekent.
Hier komt het antwoord eerst, in de woorden die een verkoper zou gebruiken, en pas daarna waar het begrip ertoe doet en waarmee het gewoonlijk wordt verward.
De vijf verwarringen die het meeste geld kosten
Definities zijn goedkoop; duur wordt het bij twee termen die op elkaar lijken en iets anders regelen. Deze vijf komen steeds terug.
OSS en IOSS. De ene gaat over goederen die al in de Unie zijn en naar een consument in een andere lidstaat gaan; de andere over goederen die van buiten komen, in zendingen tot 150 €. Aparte regelingen, aparte registraties — naar de btw-begrippen.
EXW en FCA. Allebei lijken ze op “de koper regelt alles”. Bij FCA doet de verkoper tenminste de uitvoeraangifte; bij EXW doet niemand dat, en een buitenlandse koper kan het vaak niet — naar de Incoterms.
DAP en DDP. Eén letter, en die bepaalt wie invoerrecht en btw betaalt. Bij DDP is dat de verkoper, die de invoer-btw in het land van de koper meestal niet kan terugvragen — naar de Incoterms.
HS, GN en TARIC. Geen drie codes maar drie lengtes van één: zes cijfers wereldwijd, acht voor uitvoer en statistiek in de EU, tien voor invoer — naar de douanebegrippen.
Volumegewicht en belastbaar gewicht. Het eerste is een berekening uit de maten; het tweede is waarop de vervoerder afrekent — de grootste van de twee — naar de verzendbegrippen.